Taal

Tegenwoordige tijd - De stam +t (stamregel 2) [1]

De werkwoordstam vind je door van het hele werkwoord en af te halen. Wat je overhoudt, is de werkwoordstam of ook wel de stam.

Sommige hele werkwoorden hebben een lange klinker. Om die klinker lang te houden, moet je een extra klinker toevoegen.

Stamregel 2

Tegenwoordige tijd - De stam +t [1]
Hele werkwoord        De ruwe stam         De stam
maken -en        (ik) mak + a       (ik) maak
lopen -en        (ik) lop + o       (ik) loop
spelen -en        (ik) spel + e       (ik) speel
gapen -en        (ik) gap + a       (ik) gaap
Hele werkwoord: maken  -en
→ De ruwe stam: (ik) mak  +a
→ De stam: (ik) maak

Hele werkwoord: spelen  -en
→ De ruwe stam: (ik) spel  +e
→ De stam: (ik) speel

Je ziet dat de ruwe stam een korte klinker heeft. We noemen dit 'ruw', omdat deze nog verder moet worden bewerkt. In dit geval willen we de klinker lang houden. We moeten dan nog een extra klinker toevoegen.

jij, je, u, hij, zij, het maakt
Tegenwoordige tijd - De stam +t         Enkelvoud           Meervoud
ik
jij, je, u
hij, zij, het
maak
maakt
maakt
  wij, we
jullie
zij, ze
  maken
  maken
  maken


Let op: maak je / maak jij...

Onthouden
  1. De ik-vorm krijgt nooit een t.
    ik maak, ik loop, ik speel, ik gaap
  2. Een ander (mens, dier of ding) krijgt altijd een t, behalve als er je of jij achter het werkwoord staat.
    maak jij, loop jij, speel jij, gaap je
Vul de juiste vorm van het werkwoord in
  Hele werkwoord Zin Antwoord
Tegenwoordige tijd - De stam +t [1] smeren, tt Jij ...?... een boterham met pindakaas. smeert
meten, tt Je ...?... de lengte van zijn voet. meet
boren, tt Hij ...?... een gat in de muur. boort
spelen, tt Het jongentje ...?... graag met auto's. speelt

Let op! Werkwoorden waarvan de stam eindigt op een t, krijgen geen extra t! (meten - meet)

 


Online oefenen met dit onderwerp