Taal

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd (stamregel 2)

Zinnen in de tegenwoordige tijd (tt) beschrijven iets wat nu of in de toekomst gebeurt.

Iets gebeurt nu of in de toekomst
Ik maak een tekening - stamregel 2 Ik maak een tekening.
Jij gaapt al de hele dag.
Wij spelen al de hele dag in het zwembad.
De kinderen leren veel van de juffrouw.
Ik maak een tekening - stamregel 2
Ik maak een tekening.
Jij gaapt al de hele dag.
Wij spelen al de hele dag in het zwembad.
De kinderen leren veel van de juffrouw.

Hieronder lees je de stappen bij het juist spellen van de werkwoorden.

 

1   Zoek de persoonvorm in een zin


De persoonsvorm vind je door de zin in een andere tijd te zetten.
Het woord dat verandert is de persoonsvorm.

Zet de zin in een andere tijd.
Tegenwoordige tijd   Verleden tijd
Ik maak een tekening. Ik maakte een tekening.
Jij gaapt al de hele dag. Jij gaapte al de hele dag.
Wij spelen al de hele dag in het zwembad. Wij speelden al de hele dag in het zwembad.
De kinderen leren veel van de juffrouw. De kinderen leerden veel van de juffrouw.
We zetten de onderstaande voorbeeldzinnen van de tegenwoordige- naar de verleden tijd.

Ik maak een tekening.
→ Ik maakte een tekening.

Jij gaapt al de hele dag.
→ Jij gaapte al de hele dag.

Wij spelen al de hele dag in het zwembad.
→ Wij speelden al de hele dag in het zwembad.

De kinderen leren veel van de juffrouw.
→ De kinderen leerden veel van de juffrouw.
 

 

2   Zoek de stam


Nu je weet wat de persoonsvorm is, zoek je de werkwoordstam.
De werkwoordstam vind je door van het hele werkwoord
en af te halen.
Wat je overhoudt, is de werkwoordstam of ook wel de stam.

Sommige hele werkwoorden hebben een lange klinker.

Om die klinker lang te houden, moet je een extra klinker toevoegen.

Stamregel 2

Stamregel 2 - Voeg een extra klinker toe
Hele werkwoord        De ruwe stam         De stam
maken -en        (ik) mak + a       (ik) maak
gapen -en        (ik) gap + a       (ik) gaap
spelen -en        (ik) spel + e       (ik) speel
leren -en        (ik) ler + e       (ik) leer
Van onderstaande werkwoorden herleiden we eerste de ruwe stam door er en af te halen. Vervolgens vinden we de stam door de aan de ruwe stam een extra klinker toe te voegen.

maken -en
de ruwe stam: (ik) mak +a
de stam: (ik) maak

gapen -en
de ruwe stam: (ik) gap +a
de stam: (ik) gaap

spelen -en
de ruwe stam: (ik) spel +e
de stam: (ik) speel
 

Je ziet dat de ruwe stam een korte klinker heeft. We noemen dit 'ruw', omdat
deze nog verder moet worden bewerkt. In dit geval willen we de klinker lang houden.
We moeten dan nog een extra klinker toevoegen.
 

3   Zoek het onderwerp

 

We weten nu wat de persoonsvorm is en de stam.
Nu gaan we het onderwerp in de zin zoeken. Het onderwerp vind je door antwoord te geven op de vraag:

wie of wat + persoonsvorm (pv)?

wie of wat + persoonsvorm?
Tegenwoordige tijd   Wie of wat + pv?    Onderwerp
Ik maak een tekening. Wie of wat maakt een tekening? Ik
Jij gaapt al de hele dag. Wie of wat gaapt al de hele dag? Jij
Wij spelen al de hele dag in het zwembad. Wie of wat spelen al de hele dag in het zwem- bad? Wij
De kinderen leren veel van de juffrouw. Wie of wat leren veel van de juffrouw? De kinderen
Ik maak een tekening.
Wie of wat maakt een tekening?
Onderwerp = Ik

Jij gaapte al de hele dag.
Wie of wat gaapt al de hele dag?
Onderwerp = Jij

Wij spelen al de hele dag in het zwembad.
Wie of wat spelen al de hele dag in het zwembad?
Onderwerp = Wij

De kinderenleren veel van de juffrouw.
Wie of wat leren veel van de juffrouw?
Onderwerp = De kinderen
 
Regels voor de tegenwoordige tijd
  1. De ik-vorm krijgt nooit een t.
    ik maak, ik gaap, ik speel, ik leer
  2. Een ander (mens, dier of ding) krijgt altijd een t, behalve als er je of jij achter het werkwoord staat.
    maak jij, gaap jij, speel jij, leer je
Voorbeeld bij de regels voor de tegenwoordige tijd
Persoonsvorm enkelvoud
ik maak, gaap, speel, leer
jij, je, u maakt, gaapt, speelt, leert
hij, zij, het maakt, gaapt, speelt, leert
 
Persoonsvorm meervoud
wij, we maken, gapen, spelen, leren
jullie maken, gapen, spelen, leren
zij, ze maken, gapen, spelen, leren


Let op: maak, gaap, speel en leer je/jij...

 

*   Voeg nooit een d toe in de tegenwoordige tijd!!

 

Onthouden

Een werkwoord in de tegenwoordige tijd kan alleen op een d eindigen, als de stam van het werkwoord op een d eindigt. 
raden - raad, braden - braad, kleden - kleed...

Kijk maar eens naar het werkwoord ‘raden’.

raden
Persoonsvorm enkelvoud
ik raad
jij, je, u raadt
hij, zij, het raadt
 
Persoonsvorm meervoud
wij, we raden
jullie raden
zij, ze raden


Let op: raad je / raad jij...

Je kunt niet altijd horen of je achter een werkwoord een t moet toevoegen.
Als je twijfelt kun je het werkwoord waarvan de stam eindigt op een d vervangen 
door bijvoorbeeld lopen.

‘Jij loopt, eindigt op een ‘t’, dus jij raadt eindigt ook op een t.