Taal oefenen

Onderschikkende voegwoorden

Wat is een voegwoord?

Een voegwoord ‘voegt’ of ‘metselt', woorden maar vooral zinnen (zinsdelen) aan elkaar.
Voegwoorden kun je vaak herkennen door de komma die ervoor staat, maar dit hoeft er
niet altijd te staan.

Er zijn twee soorten voegwoorden: Nevenschikkende en onderschikkende.

 

2   Onderschikkende voegwoorden

 

Een onderschikkende voegwoord verbindt een hoofdzin (belangrijkste zin) met een bijzin
(minder belangrijke zin). 

De onderschikkende voegwoorden kun je niet uit je hoofd leren, omdat er heel veel van zijn.
Vaak zijn de onderschikkende voegwoorden:

Onderschikkende voegwoorden

wanneer, als, terwijl, zodra, voordat, voor, nu, toen, nadat, zolang als, totdat, sinds, doordat, zodat, waardoor, omdat, opdat, indien, mits, tenzij, hoewel, ofschoon, ondanks dat, zoals, alsof, dat, of…

Als we het onderschikkende voegwoord weg zouden laten, kun je niet meer twee goedlopende zinnen maken:

Voorbeeldzin
Zaterdag gaan we lekker fietsen, zoals we
dat vorige week ook deden. 

De tweede zin is geen goedlopende zin:

1. Zaterdag gaan we lekker fietsen. (goed!)
2. We dat vorige week ook deden.  (fout!)

In het tweede deel van de zin staan de woorden in de verkeerde volgorde. Er had eigenlijk moeten staan:
We deden dat vorige week ook.
Maar dan was het voegwoord zoals hier ook niet nodig!

Het heeft hard geregend, waardoor er
overal plassen liggen.


De tweede zin is geen goedlopende zin:

1. Het heeft hard geregend. (goed!)
2. Er overal plassen liggen. (fout!)

In het tweede deel van de zin staan de woorden in de verkeerde volgorde. Er had eigenlijk moeten staan:
Er liggen overal plassen.
Maar dan was het voegwoord waardoor hier ook niet nodig!
Zaterdag gaan we lekker fietsen, zoals we
dat vorige week ook deden.

>De tweede zin is geen goedlopende zin:

1. Zaterdag gaan we lekker fietsen. (goed!)
2. We dat vorige week ook deden. (fout!)

In het tweede deel van de zin staan de woorden in de verkeerde volgorde. Er had eigenlijk moeten staan:
We deden dat vorige week ook.
Maar dan was het voegwoord zoals hier ook niet nodig!
Meer voorbeeldzinnen
Iris gaat straks naar het feest, hoewel ze niet uitgenodigd is.
Martijn kwam te laat, doordat de brug open stond.
Joost gaat niet naar school, omdat hij zich ziek voelt.
Ik poets mijn tanden, voordat ik naar bed ga.
Ik was de groenten, terwijl zij het vlees bakt.
Zodra hij klaar is met werken, komt hij.
Het is fijn dat we op schoolreis gaan.
Ik weet niet zeker of het morgen gaat regenen.

 

Online oefenen met dit onderwerp

2
 
2
3
 
3