Taal

Tegenwoordige tijd - De stam +t (stamregel 3) [1]

De werkwoordstam vind je door van het hele werkwoord en af te halen. Wat je overhoudt, is de werkwoordstam of ook wel de stam.

Sommige hele werkwoorden hebben dubbele medeklinkers. We halen er dan ook één medeklinker af.

Stamregel 3

Stamregel 3 - Tegenwoordige tijd de stam +t
Hele werkwoord

       De ruwe stam

        De stam
bakken -en        (ik) bakk -k       (ik) bak
snappen -en        (ik) snapp -p       (ik) snap
rillen -en        (ik) rill -l       (ik) ril
rennen -en        (ik) renn -n       (ik) ren
Hele werkwoord: bakken  - en
→ De ruwe stam: (ik) bakk  -k
→ De stam: (ik) bak

Hele werkwoord: rillen  - en
→ De ruwe stam: (ik) rill  -l
→ De stam: (ik) ril
 

Je ziet dat de ruwe stam twee medeklinkers heeft. We noemen dit 'ruw', omdat deze nog verder moet worden bewerkt. In dit geval halen we er een medeklinker af.

jij, je, u, hij, zij, het bakt
Tegenwoordige tijd - De stam +t         Enkelvoud           Meervoud
ik
jij, je, u
hij, zij, het
bak
bakt
bakt
  wij, we
jullie
zij, ze
  bakken
  bakken
  bakken


Let op: bak je / bak jij...

Onthouden
  1. De ik-vorm krijgt nooit een t.
    ik bak, ik snap, ik ril, ik ren
  2. Een ander (mens, dier of ding) krijgt altijd een t, behalve als er je of jij achter het werkwoord staat.
    bak jij, snap jij, ril jij, ren je
Vul de juiste vorm van het werkwoord in
Tegenwoordige tijd - De stam +t Hele werkwoord Zin Antwoord
vullen, tt Jij ...?... alle flessen met appelsap. vult
scheppen, tt Je ...?... de poep in de kruiwagen schept
zetten, tt Hij ...?... de wekker erg vroeg. zet
liggen, tt De kater ...?... graag op zijn kussen. ligt

Let op! Werkwoorden waarvan de stam eindigt op een t, krijgen geen extra t! (zetten- zet)

 


Online oefenen met dit onderwerp