Taal oefenen

Wat is het meewerkend voorwerp (mv)?

Het meewerkend voorwerp (mv) hangt samen met de persoonsvorm, het onderwerp, het gezegde (naamwoordelijk of werkwoordelijk) en het lijdend voorwerp.
In een zin kan maar één meewerkend voorwerp staan.
Het is belangrijk dat je weet dat niet iedere zin een meewerkend voorwerp heeft.

Hoe vind je het meewerkend voorwerp (mv)?
Zoek het meewerkend voorwerp.
  1. Zoek de persoonsvorm (pv).
  2. Zoek het onderwerp (o).
  3. Zoek het gezegde (gez.)
  4. Zoek het lijdend voorwerp (lv).
  5. Zoek het meewerkend voorwerp:
    Zet Aan wie / Voor wie voor het onderwerp, gezegde en eventuele lijdend voorwerp.

Hieronder worden de stappen uitgelegd.


 

1   Zoek de persoonsvorm (pv).


Maak de zin vragend of zet hem in een andere tijd.

Persoonsvorm
Zin   Vraagzin / Andere tijd   Persoonsvorm
Zij geeft een knikker aan Tim.   Geeft zij een knikker aan Tim?  geeft
Zij geeft een knikker aan Tim.   Zij gaf een knikker aan Tim.  geeft
Zij geeft de knikker aan Tim.
→ Vraagzin: Geeft zij een knikker aan Tim.
→ Persoonsvorm: geeft

Zij geeft de knikker aan Tim.
→ Andere tijd: Zij gaf de knikker aan Tim.
→ Persoonsvorm: geeft
 

 

2   Zoek het onderwerp (o).


Wie of Wat + de persoonsvorm.

Onderwerp
Zin   Wie / Wat + pv      Onderwerp
Zij geeft een knikker aan Tim. Wie geeft?    Zij
Zij geeft de knikker aan Tim.
→ Wie/Wat + pv: Wie geeft?
→ Onderwerp: Zij

 

3   Zoek het gezegde (gez).


Het gezegde zijn alle werkwoorden in een zin.  

Gezegde
Zin   Alle werkwoorden      Gezegde  
Zij geeft een knikker aan Tim. geeft    geeft
Zij geeft de knikker aan Tim.
→ Alle werkwoorden: geeft
→ Gezegde: geeft
 

 

4   Zoek het lijdend voorwerp. 


Zet Wie of Wat voor het onderwerp en het gezegde.

Lijdend voorwerp
Zin     Wie / Wat + o + gez.      Lijdend voorwerp
Zij geeft een knikker aan Tim.   Wat geeft zij?    een knikker
Zij geeft de knikker aan Tim.
→ Wie/Wat + o + gez.: Wat geeft zij?
→ Lijdend voorwerp: een knikker
 

 

5   Zoek het meewerkend voorwerp


Zet Aan wie of Voor wie voor het onderwerp, het gezegde en het eventuele lijdend voorwerp.

Meewerkend voorwerp
Zin   Aan wie / Voor wie + o + gez. + (lv)   Meewerkend voorwerp
Zij geeft een knikker aan Tim. Aan wie geeft zij een knikker? Tim
Zij geeft de knikker aan Tim.
→ Aan wie / Voor wie + o + gez. + (lv): Aan wie geeft zij een knikker?
→ Meewerkend voorwerp: Tim
 

 

Meewerkend voorwerp (mv)
  • Zoek eerst de persoonsvorm, het onderwerp, het gezegde en het eventuele lijdend voorwerp in de zin.
  • Zet Aan wie of Voor wie voor het onderwerp, het gezegde en het eventuele lijdend voorwerp. 
  • Staat het woord -aan of het woord -voor in een zin, dan weet je al dat er een meewerkend voorwerp in de zin zit.
  • In een zin kan altijd maar één meewerkend voorwerp zitten. 

 

Online oefenen met dit onderwerp